zondag, februari 24, 2008

Romeinse wijn


Bij het uitmesten van mijn boekenkasten stuit ik op een artikel over een experiment om de wijnen van Pompei te herscheppen. Het wijngoed Mastroberardino is ruim tien jaar geleden begonnen op Romeinse traditionele wijze wijnstokken aan te planten. Met Plinius in de hand. Die zegt in boek 14 van zijn Naturalis Historia:
Onze wijnstokken worden door jaarlijks snoeien kort gehouden en hun kracht wordt geheel gericht naar de loten of omlaag gestuurd naar de uitlopers, en alleen met het oog op het druivensap laat men ze op verschillende manieren uitbotten, afhankelijk van het klimaat en de bodemgesteldheid. In Campania verenigen ze zich met populieren, omhelzen die als echtgenoten en klimmen met opdringerige armen omhoog (...) Ook kunnen ze door staken gestut rechtop staan tot de hoogte van een middelgrote man en zo een wijngaard vormen. (...) In sommige provincies staat de wijnstok uit eigen kracht overeind, zonder enige stut, waarbij hij zijn ranken in een bocht naar zich toe haalt en ten koste van de lengte hun dikte opvoert.

Plinius noemt ook de in zijn tijd belangrijkste druivensoorten en de bijbehorende wijnen. De vitis Aminea Gemina (Greco), de Vitis Apiana (Fiano). de vitis Hellinca Anglianico, de Columbina Purpurea (Piedirosso), de vitis Olegain (Schiascinoso of Olivella), de Cauda Vulpium (Coda di Volpe), de vitis Alopecis (Caprettona) en de Falanghina. In de omgeving van Napels hebben wij de Greco en Falanghina wel gedronken. Daar smaakt hij prima.
In maart 1996 begonnen ze de wijngaard van Eusino voor te bereiden. Met de hand werd onderzocht waar in 79 tijdens de uitbarsting van de Vesuvius nog wijnstokken hadden gestaan. In die gaten werden kastanjestokken gezet als steun voor de wijnranken. Vervolgens gingen de wijnstokken van de Sciascino de grond in, vervolgens de andere rassen. Na drie jaar waren de wijnstokken volgroeid en kon men de eerste oogst plannen. Het weer werkte mee en half september werden de eerste druiven geplukt. Vooral de Fiano, Falanghina en Aglianico brachten meer op (5 kilo druiven per plant) dan het gemiddelde van tegen de 4 kilo.
Het bleek dat de Aglianico eigenlijk niet geschikt was voor het microklimaat van Pompei. De druiven waren te groot en de trossen te dicht, waardoor de druiven tijdens het rijpen openbarstten. Men besloot om een rode wijn te gaan maken. De problemen met de Aglianico deed de wijnboeren besluiten alleen nog Piedirosso en Sciascinoso aan te planten. In maart 2000 werden nog wat wijngaarden aangelegd. Opnieuw werd in de buurt van de oude stad gezocht naar geschikte terreinen. De voorsteden uit 79 boden voldoende open land, dat in Romeinse tijden als tuinderij, wijngaard, kwekerij of werkplaats had gediend. Alle akkers leverden archeologisch bewijs van wijnbouw. Er werden wijnpersen gevonden en ondergrondse opslagplaatsen en een kelder met een trapje naar de wijngaard. Uiteindelijk beschikte men over iets meer dan een hectare om wijn te verbouwen. Het land werd met de hand bewerkt, zodat opnieuw de plaatsen van de Romeinse wijnstokken konden worden vastgelegd en opnieuw gebruikt. In het totaal plantte Mastroberardino 3300 wijnstokken aan, 85 procent piedirosso en de rest Sciasinoso.
Op hun website lees ik dat ze die onder het label Villa Dei Misteri op de markt brengen.

Labels:

0 reacties:

Een reactie plaatsen

Aanmelden bij Reacties plaatsen [Atom]

<< Homepage