zaterdag, augustus 09, 2008

Vroeg koeien melken


Tell Sabi Abyad

Nederlandse archeologen graven jaren op het Syrische Tell Sabi Abyad, onder leiding van prof.dr. Peter Akkermans(gunst, is die prof geworden, toen ik nog studeerde was dat een wat schimmige student). Het gaat om een prehistorische nederzetting uit de periode 7000-5500 voor Christus. Zegt dr. Olivier Nieuwenhuyse, lid van het team:
Tot ongeveer 6200 voor Christus werd op de wilde runderen alleen gejaagd voor het vlees. De oerossen van toen waren twee en halve meter hoog. Probeer die maar eens levend te vangen met alleen een speer van hout en vuursteen.

De oudste ondubbelzinnige aanwijzingen voor het gebruik van rundermelk komen uit het late vierde millennium voor Christus. In de toenmalige steden in het Midden Oosten werd melding gemaakt van het gebruik van koeien in geschriften en tekeningen. Het was er in die regio zo warm dat melk vrijwel meteen bedierf, daarom conserveerde men de melk door er kaas, boter of yoghurt van te maken.

Het gebruik van melk in 3000 voor Christus moet zijn oorsprong hebben in de voorafgaande eeuwen. Dat dit echter drieduizend jaar eerder lag, was nieuw. Er werden botresten van oude koeien gevonden die uit ongeveer 6000 BC dateren. Vleeskoeien worden in het algemeen geslacht binnen twee jaar, omdat het vlees dan mals is. Dubbeldoelkoeien, die voor melk en vlees benut worden, bereiken een veel hogere leeftijd.
De koeienbotten bleken ook kleiner dan die van de wilde oerossen. Dat is een bewijs voor domesticatie, aldus het archeologenteam.
Nieuwenhuyse, specialist in prehistorisch aardewerk, deed in 2003 een unieke vondst die de laatste aanwijzing zou vormen voor het gebruik van melk in 6000 voor Christus.
Ik vond één scherf uit circa 6100 voor Christus met daarop zwart verbrande voedselresten. De korst was mooi en duidelijk. Het was voor het eerst dat we aangebakken voedselresten van zo oud vonden. Maar wat was het precies? In het veld konden we niet zeggen om wat voor soort voedsel het ging.

Op dat moment kwamen ze in contact met twee Britse onderzoekers, de archeoloog Andrew Sherrat en de chemicus Richard Evershed. Samen hadden ze een groot, internationaal project opgestart om inzicht te krijgen in de oorsprong van de menselijke consumptie van melk. Met name Sherrat was, tot zijn plotselinge overlijden in 2006, de grote gangmaker van het project. Zij hadden honderden potscherven verzameld, van archeologische sites van zuidoost Europa en de Balkan tot in het Midden Oosten. De Nederlandse onderzoekers waren welkom om mee te doen.
Evershed kan aardewerk onderzoeken op verbrande en geoxideerde voedselresten met behulp van chemicaliën en hij ontdekte dat het specifiek om melkresten ging. Op dat moment bevatte deze ene scherf de oudste melk ter wereld! Het was echter maar één scherf.

Maar een enkele scherf is in de archeologie geen scherf. De vondst mocht niet als bewijs gelden. Om het gebruik van melk in 6200 voor Christus te bewijzen moest Nieuwenhuyse meer potscherven met melkresten vinden. Verder graven op Tell Sabi Abyad leverde in 2004 resultaat op; verschillende scherven bleken residu van melk te bevatten.
Het melken van de oerossen stond bepaald niet op zichzelf. Nieuwenhuyse maakt deel uit van een door NWO gesubsidieerd project Abrupt Climate Change and Cultural Transformation, dat zich richt op de veranderingen in de prehistorische samenlevingen van het oude Nabije Oosten rond 6200 voor Christus. Rond deze tijd lijkt zich een hele serie ingrijpende veranderingen te hebben voltrokken. Schapen en geiten waren al veel eerder gedomesticeerd, maar nu gaat men ook hun wol op grote schaal benutten. Ook van druiven worden secundaire producten als wijn gemaakt. En nu blijkt dat ook de vroegste menselijke consumptie van melk juist in deze periode gezocht moet worden. Sheratt heeft voor het gebruik van al dit soort secundaire producten de term Secondary Products Revolution bedacht. Tot voor kort dachten archeologen dat de secondaire producten pas in het late vierde millennium voor Christus op grote schaal in zwang kwamen, maar dat beeld moet nu ingrijpend worden herzien.

Het Nederlandse onderzoek in Syrie wijst uit dat door het gebruik van de secondaire producten van de gedomesticeerde geiten, runderen, schapen en varkens de steppebewoners van levensstijl veranderden. De dorpsbewoners worden deeltijd nomaden, om met hun kuddes over de savannes te trekken op zoek naar vers gras. In de dorpen worden de secundaire producten opgeslagen in grote pakhuizen. Deze ontwikkeling neemt de ruimtelijke beperking van het dorp weg. De mensen hebben meer land om op te leven waardoor zowel de kuddes als de mensen in aantal groeien.

Bron: persbericht Universiteit Leiden

Labels:

0 reacties:

Een reactie posten

Aanmelden bij Reacties posten [Atom]

<< Homepage