woensdag, april 01, 2009

Neanderthalers


Morgen promoveert archeoloog Gerrit Dusseldorp in Leiden op een proefschrift over Neanderthalers. Dat zijn geen met knuppels zwaaiende woestelingen, maar ook geen zachtzinnige vegetariërs, noch vredelievende maar weinig intelligente aaseters. Een terugkerend probleem van het neanderthaleronderzoek is dat veel onderzoekers vooringenomen ideeën hebben en de vondsten naar die ideeën proberen te interpreteren, zegt Dusseldorp. Een mooi voorbeeld hiervan stamt uit de jaren tachtig. Een Engelse onderzoeker stelde toen dat de prachtig uitgebalanceerde houten speren die in een neanderthalercontext waren gevonden, prikstokken zouden zijn waarmee in de ijstijd door de sneeuw heen naar karkassen gezocht. Dusseldorp onderkent het gevaar van gespeculeer over onderzoek naar de prehistorie, juist omdat er geen geschreven bronnen zijn en omdat de bronnen die er wel zijn, zo moeilijk te interpreteren zijn: Daarom heb ik gekozen voor een voor archeologen waardevrije theorie uit de ecologie, de optimal foraging theory. Ik heb gekeken naar de dieetbreedte van de neanderthalers. Door een inventarisatie van de beschikbare prooi in bepaalde perioden te maken en die te vergelijken met wat de neanderthalers daadwerkelijk joegen, was hij in staat zich een beeld te vormen van het foerageergedrag. Mede aan de hand van de isotopensamenstelling van Neanderthalbotten blijkt dat de neanderthalers hoog in de voedselketen zaten, hoger zelfs dan een roofdier als de leeuw of een aaseter als de hyena. Het lichaam heeft een voorkeur voor stikstofisotoop 15 boven het gangbaardere isotoop 14. Hoe meer isotoop 15 je aantreft, hoe hoger dus in de voedselketen. Hij verklaart het verschil met bijvoorbeeld de leeuw uit het feit dat de neanderthalers ook joegen op omnivoren als de bruine beer, een soort die door de leeuw gemeden werd.
Aanpassen aan klimaat
Wat in ieder geval niet klopt is dat de neanderthaler niet in staat zou zijn geweest zich aan de veranderende omstandigheden aan het eind van de ijstijd, aan te passen. De neanderthalers hebben twee ijstijden en een interglaciaal meegemaakt. Gedurende die meer dan honderdduizend jaar hebben ze zich uitstekend aan verschillende omstandigheden aangepast. De ijstijden waren wel wat geschikter voor ze, maar dat geldt eigenlijk voor alle jager-verzamelaars. Dusseldorp: In warme periodes is veel van de biomassa opgeslagen in hout en ander niet eetbaar organisch materiaal, terwijl in de koudere periodes de grotere prooidieren relatief makkelijk bereikbaar over de grote vlaktes trokken.
In feite waren de neanderthalers uitstekend aan hun omgeving aangepast. De voorouders van zowel de neanderthaler als de moderne mens waren van tropische planten- of alleseters als de chimpansee, ge-evolueerd naar jagers in een gematigd klimaat. In samenhang daarmee groeide het brein, omdat een jager die niet beschikt over de natuurlijke attributen voor zijn leefstijl, zoals klauwen en scherpe tanden, intelligentie nodig heeft. Het hoogwaardigere voedsel liet vervolgens een verkorting van het maag-darmkanaal toe. Daarin verschillen neanderthaler en moderne mens niet veel. Wel was het zo dat de neanderthaler een hoger energieverbruik had. Daarom richtte hij zich vooral op grote prooi: bizons, herten, paarden, neushoorns en inderdaad bruine beren. En om daarin te voorzien, moest hij zeer mobiel zijn. In de koudere periodes trokken ze in grotere groepen door het landschap en joegen ze op kuddes. In de warmere periodes waren de groepjes kleiner en joegen ze op solitaire individuen.
Die grotere mobiliteit wordt wel gezien als de oorzaak van het eenvoudigere gereedschap van de neanderthalers vergeleken met dat van de moderne mens. Bij de moderne mens zie je dat er iedere vijfduizend jaar een geheel nieuw assortiment is ontstaan . Bij de neanderthaler blijven de gereedschappen over een veel langere periode ongewijzigd. Maar ook daar is verandering en cultuur waar te nemen. Met dien verstande: we zien alleen de stenen werktuigen terug en niet wat ze van organisch materiaal aan werktuigen fabriceerden.’ De in de jaren tachtig gevonden houten speren doen vermoeden dat de neanderthalers inderdaad heel wat meer in hun mars hadden.
Promotie: donderdag 2 april
Gerrit Dusseldorp, A view to a kill: investigating middle palaeolithic subsistence using an optimal foraging perspective Faculteit: Archeologie
Promotor: prof.dr. Wil Roebroeks
Bron: Nieuws Rijksuniversiteit Leiden.

Labels:

0 reacties:

Een reactie plaatsen

Aanmelden bij Reacties plaatsen [Atom]

<< Homepage