donderdag, november 19, 2009

Vis


In de middeleeuwen telde een jaar wel tweehonderd vastendagen. Niet allemaal even streng wat betreft de voedselvoorschriften. Maar vis stond dus vaker op het menu dan nu. Het is begrijpelijk dat juist de kloosters er voor gingen zorgen dat ze voldoende vis tot hun beschikking hadden. Handig is een vivarium op het terrein, waar je steeds vis uit kunt halen naar behoefte - als je er tenminste regelmatig volwassen vis in stopt. Levende vis, verser kan het niet. Zoetwatervis eten we nu niet zo veel meer, behalve de forel en snoek. Brasem, voorn, karper, noem maar op, ze gingen vroeger allemaal in de pan.
De oudste archeologische resten van karpers dateren uit de twaalfde eeuw, maar of dat om een wilde of een kweekkarpter gaat weet ik niet. We hebben in ons land wel een inheemse wilde karpersoort, de boerenkarper. Maar de karpers zoals die in de middeleeuwen op tafel kwamen waren waarschijnlijk afstammelingen van de in de Donau thuishorende soort. Of die geheel zelfstandig, of met een beetje hulp van kloosterlingen naar onze streken is gekomen, blijft nog onduidelijk. Inmiddels zitten de rivieren en meren vooral met een populatie kweekkarpers, die de wilde of geannexeerd of verdrongen hebben. Op tafel zie je hem vooral in Oost en Midden Europa.

Labels:

0 reacties:

Een reactie posten

Aanmelden bij Reacties posten [Atom]

<< Homepage