zondag, april 11, 2010

Artisjok - de restjes


Als de kardoen (met de van het Latijn afstammende naam) in West Europa is blijven plakken na de val van het Romeinse Rijk, dan verwacht je hem zeker in de tuin van Karel de Grote. Die liet zich immers graag door zijn illustere Romeinse voorgangers inspireren. In de Capitulare de Villis kom je inderdaad de cardones tegen. Dat wordt meestal vertaald met kaardebol. Dat komt omdat de cardones direct volgt op een verfplant, de meekrap. De kaardebol werd gebruikt om de wol te kaarden. Daar schuilt dus enige logica in. Maar het hoeft niet. Het kan net zo goed op de kardoen slaan.
De Akense bewerking van de Capitulare vermeldt dan ook beide soorten en er zijn in de Akense Karel-de-Grote-tuin dan ook zowel kaardebollen als kardoens aangeplant.

Zijn er archeobotanische bewijzen voor het eten van artisjok? In het Duitse Kerpen zijn elf onrijpe zaden gevonden van de artisjok (Cynara sp.), stammend uit een latrine uit de 16e eeuw. Kerpen behoorde in die tijd tot het Hertogdom Brabant, dat weer tot het Spaanse rijk behoorde. De tijd van Karel V, zeg maar. De tijd dat je de artisjok veel op schilderijen uit het Antwerpse tegenkomt. Niet zo gek dat de exotische artisjok ook in Kerpen terechtkwam.

In de Nederlandse Hovenier staan plantinstructies voor de artisjok.

Aertisocken willen wel groeyen in vette moerachtige Aerde en worden voort gewonnen van de sy-schooten der oude planten. En worden verset in Maert, twee voeten van den anderen. Sy moeten des winters ghedeckt worden met lange paerdemis, opdat deselve niet uyt vriezen.

Labels:

0 reacties:

Een reactie plaatsen

Aanmelden bij Reacties plaatsen [Atom]

<< Homepage