donderdag, april 26, 2012

Het visje van Piggelmee




De gebroeders Grimm vertellen een sprookje over  een  eenvoudige visser en zijn hebberige vrouw. Een vissersechtpaar, dat zó arm is, dat ze in een Keulse pot wonen, vlak aan zee. Als visser is de man niet erg succesvol, tot hij een enorme bot aan de haak slaat. Die smeekt: ‘laat mij leven, ik ben een betoverde prins’. De visser vindt een sprekende bot toch maar beter af in zee. 
Thuis – zonder vangst – vraagt zijn vrouw hem waarom hij de bot niet om een wens gevraagd heeft. De man zou niet weten waarom, hij heeft toch alles wat hij nodig heeft? Vrouwlief denkt daar heel anders over, die wil wel meer dan een pot als woning. Onder enig tegengestribbel laat de visser zich naar de zee sturen om een wens te doen. En dat is het begin van de ellende. Van echt huis naar groter huis, naar kasteel, naar macht, mevrouw blijkt een rupsje nooit genoeg.  Ze wil paus worden, en uiteindelijk zelfs god. Dat laatste had ze nou niet moeten vragen, want god is de eenvoud zelve, en heeft genoeg aan een Keulse pot aan zee om te wonen. En daar wonen de visser en zijn ambitieuze vrouw nu dus nog.
Een merkwaardig sprookje, dat pas in de 5e druk van de Sprookjes van Grimm uit 1843 is opgenomen, opgetekend uit de mond van de Pommerse schilder Runge, die het had horen vertellen aan het begin van de 19e eeuw. Het bekendst is de zwaar verminkte versie die koffieproductent Van Nelle van het sprookje liet maken, De visser heet  opeens Piggelmee, en hij smeekt tot het visje in de zee. De moraal van het verhaal is niet veranderd. Wees tevreden met je lot, maar wel inclusief een kopje koffie. Althans, volgens het sprookje. 

De moraal kan ook zijn: vertrouw geen sprekende vissen. Blijft voor mij de vraag, die enorme bot, was dat nu een heilbot? 




 

0 reacties:

Een reactie plaatsen

Aanmelden bij Reacties plaatsen [Atom]

<< Homepage