maandag, september 17, 2012

Eerste boeren - maanzaad en meer


Nog wat meer over onze eerste boeren in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. In 1985 kwam er voor het eerst een grote tentoonstelling 'Op Goede Gronden'. Want de eerste boeren kunnen we zonder mankeren koppelen aan een voorkeur voor rijke grond, in dit geval loess. De Bandkeramiekers verspreiden zich over de loessgronden van Europa, langs de Donau, dan verder naar het Noorden. Was er voor die tijd niets te zien in het RMO? Ja, natuurlijk, een keurige maquette van een typisch Bandkeramisch huis, de gebruikelijke vitrines met aardewerk, steen en vuursteen. Het vereiste veel van de fantasie van de bezoeker om daar een leefgemeenschap bij te bedenken. Maar toen kwam die tentoonstelling in 1985. Daarvoor maakte Baldi Dekker een enorme maquette van hoe een prehistorisch dorp er zal hebben uitgezien. Hier een stukje ervan. Bijna had dit prachtige kunstwerk de verbouwingen van het RMO niet overleefd. Maar gelukkig, hij is er nog. En nu is hij (opnieuw?) het stralende middelpunt van de tentoonstelling. Het leuke ervan is dat je nog steeds een heel goed beeld krijgt van het boeren van toen, in Zuid-Limburg. Hoe ze akkerden, vuursteen dolven en bewerkten, hun stenen bijlen slepen op de slijpstenen, hoe ze huizen bouwden. Je hoeft maar even naar de bossen rond St. Geertrui af te reizen en een beetje te gaan wandelen en je waant je bijna weer in het neolithicum.

Gisteren vertelde ik al dat ze na enige tijd ook maanzaad gingen verbouwen. Bakten ze nou maanzaadbrood? Zeker wonnen ze olie uit de zaadjes, net zoals uit het lijnzaad. Of ging het ook om de opium?
In ieder geval werden maanzaadjes gevonden in Beek en Geleen, een soort die precies hetzelfde is als die elders in het Rijnland. Opvallend is, dat maanzaad - in tegenstelling tot de andere cultuurgewassen - niet uit het Zuid-Oosten van Europa afkomstig is. Deze papaver somniferum ssp setigerum komt eerder in het westelijke deel van het Middellandse Zeegebied voor. Wilde en vroege gekweekte papavers zijn trouwens niet van elkaar te onderscheiden botanisch gezien, maar in het wild komt deze plant tot in Aveyron, Frankrijk voor. Daarboven niet meer. Logischer wijze mag je dus verwachten dat 'onze' Bandkeramiekers contact hadden met verwante groepen in Zuid Frankrijk. 

Het graan uit die tijd, emmer en eenkoorn, leverde per stengel en per aar minder korrels op dan het graan van nu. Om tien mensen van graan te voorzien had je pakweg twee hectare goede grond nodig. Graan voor brood, brij en vast ook bier. Ongeveer zestig procent van hun dagelijkse calorische behoefte wisten ze van hun akkers te halen. De rest kwam uit het wild: noten, vruchten. En dan was er nog het vee en het wild.


Labels: , , ,

0 reacties:

Een reactie posten

Aanmelden bij Reacties posten [Atom]

<< Homepage